“Ik raak snel overprikkeld, dus ik zal wel hoogsensitief zijn.”
“Ik denk dat ik hoogsensitiever ben geworden sinds mijn burn-out.”
“Iedereen is toch een beetje hoogsensitief?”
“Als ik nu minder last heb dan vroeger, ben ik dan minder hoogsensitief?”
Deze opmerkingen en vragen horen wij geregeld. We snappen ze wel, hoewel de veronderstellingen niet accuraat zijn.
De meeste mensen ontdekken hoogsensitiviteit juist op een moment dat ze vastlopen in het leven. Ze zijn moe, ervaren stress, raken sneller overprikkeld of merken dat ze meer tijd nodig hebben om indrukken te verwerken. Dan lijkt het logisch om te denken dat ze – zoals ze zelf vaak zeggen – gevoeliger zijn geworden.
Maar klopt dit feitelijk? Word je hoogsensitiever naarmate je ouder wordt? Word je hoogsensitief na ziekte of een traumatische gebeurtenis? Kan je een beetje hoogsensitief kan zijn? En als je last hebt van overprikkeling betekent het dan automatisch dat je hoogsensitief bent? Om deze vragen goed te beantwoorden is het belangrijk om eerst uit te leggen wat de eigenschap inhoudt.
Kern hoogsensitiviteit
Wanneer mensen over hoogsensitiviteit praten, denken ze vaak aan het ervaren van emoties, gevoeligheid of overprikkeling. Maar dat is niet de kern van de eigenschap.
De eigenschap hoogsensitiviteit gaat als we kijken naar wetenschappelijk onderzoek in de kern over de manier waarop informatie wordt verwerkt. Dus niet alleen het ontvangen van signalen (stimuli, prikkels), maar met name het proces in de hersenen.
Hoogsensitieve personen (HSP) nemen meer subtiliteiten uit de omgeving waar. Kleine veranderingen in sfeer. Details die anderen missen. Signalen die voor veel mensen onder de radar blijven.
Die informatie wordt vervolgens diepgaand verwerkt. Het brein lijkt niet direct naar een snelle reactie te zoeken, maar eerst een zo compleet mogelijk beeld van de situatie te vormen. Verschillende stukjes informatie worden met elkaar verbonden. Mogelijke pro’s en contra’s worden afgewogen. Sociale dynamieken worden meegenomen. Pas daarna ontstaat een reactie.
Impact
Je zou kunnen zeggen dat het brein eerst probeert het grotere geheel te begrijpen voordat het beslist wat de beste reactie is voor de situatie en de mensen die daarin belangrijk zijn.
Juist doordat er meer informatie binnenkomt én meer informatie wordt verwerkt, heeft dit meer impact. Positieve gebeurtenissen worden intenser beleefd. Emoties worden dieper ervaren. Maar stress, conflicten en negatieve gebeurtenissen komen vaak ook harder binnen.
Overprikkeling is vanuit die visie geen kenmerk van hoogsensitiviteit zelf, maar een mogelijk gevolg van een systeem dat informatie diepgaander verwerkt.
“Ik raak snel overprikkeld, dus ik zal wel hoogsensitief zijn.”
Het klinkt logisch, toch is dit een van de grootste misverstanden rondom hoogsensitiviteit. Iedereen kan namelijk overprikkeld raken. Iemand met een burn-out. Iemand met chronische stress. Iemand die slecht slaapt. Iemand die langdurig ziek is. Iemand die een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt.
Overprikkeling vertelt ons dat het zenuwstelsel meer informatie moet verwerken dan het op dat moment aankan. Simpel gezegd; de draaglast (binnenkomende stimuli) is groter dan de draagkracht (verwerkingscapaciteit).
Maar overprikkeling vertelt ons niet waarom dat gebeurt. Daarom is overprikkeling op zichzelf geen onderscheidend kenmerk van hoogsensitiviteit. Het zegt iets over belasting. Niet noodzakelijk iets over de onderliggende oorzaak.
Hoogsensitieve personen kunnen wel snel overprikkeld raken. Zowel doordat ze veel subtiliteiten opmerken als doordat hun brein die informatie diepgaand verwerkt. Dan is de capaciteit van het zenuwstelsel en het brein uiteraard eerder bereikt dan bij niet-HSP. Maar, nogmaals, het is dus geen effect dat uitsluitend bij HSP voorkomt.
Dat brengt ons bij een volgende vaak gehoorde uitspraak:
“Ik denk dat ik hoogsensitiever ben geworden sinds mijn burn-out.”
Veel hoogsensitieve mensen vermoeden dat hun gevoeligheid toeneemt naarmate ze ouder worden of als ze iets ingrijpends hebben meegemaakt. Maar niet de eigenschap zelf verandert; het is de hoeveelheid belasting, of simpelweg, het bewustzijn van wat zij aan prikkels ervaren.
Iemand die jarenlang over haar grenzen heen is gegaan, kan ineens merken hoeveel prikkels er eigenlijk binnenkomen. Iemand die herstelt van een burn-out merkt soms voor het eerst hoeveel energie die verwerking kost.
Dat betekent niet automatisch dat de eigenschap sterker is geworden. Het betekent vaak dat de gevolgen zichtbaarder zijn geworden. Een linkshandig persoon wordt niet meer of minder linkshandig gedurende zijn leven. Wat wel kan veranderen, is hoeveel last hij ervaart van een wereld die vooral voor rechtshandigen is ingericht. In een bepaalde periode. Of op een specifieke plek. Het is logisch dat hoogsensitieve personen in sommige omstandigheden meer hinder van prikkels en indrukken ervaren. Maar zonder dat hun stelsel in de aard verandert.
“Iedereen is toch een beetje hoogsensitief?”
Deze opvatting hoor je tegenwoordig steeds vaker. Het wordt ook door bepaalde onderzoekers gezegd: dat iedereen in een bepaalde mate wel hoogsensitief is. Een belangrijke reden hiervoor is dat vragenlijsten meestal een mooie spreiding van scores laten zien. Sommige mensen scoren laag. Anderen gemiddeld. Anderen hoog.
Daaruit wordt vaak geconcludeerd dat hoogsensitiviteit zoals dat in onderzoekstaal heet een ‘continuüm’ moet zijn. Maar die conclusie is minder vanzelfsprekend dan vaak wordt gedacht.
Onderzoekers maken hier een zogenoemde inferentiestap van een geobserveerde variabele naar een latente eigenschap. Met andere woorden: van een vragenlijstscore naar de eigenschap zelf. Dat lijkt logisch, maar methodologisch hoeft die stap niet te kloppen.
Vragenlijsten bevatten meetfouten. Ze meten soms ook stress, overbelasting of andere kenmerken die immers geen onderdeel zijn van hoogsensitiviteit. Daardoor kan een continue scoreverdeling ontstaan, zelfs wanneer de onderliggende eigenschap categorisch (dus wél of niét) is. De verdeling van scores zegt iets over de meting. Niet automatisch over de structuur van de eigenschap.
En we moeten op een tweede aspect scherp zijn; de beleving van de definitie bij de invullers. De meeste mensen denken bij hoogsensitiviteit of hooggevoeligheid alleen datgene wat ze met hun zintuigen waarnemen. Dus het horen van geluiden, het ruiken van geuren of het voelen van pijn.
Maar we weten inmiddels dat de eigenschap hoogsensitiviteit veel meer is dan alleen prikkels (on)aangenaam opvangen. De respondenten antwoorden dus niet zelden op basis van ‘zintuigelijke gevoeligheid’ en daarop krijg je al snel gespreide scores tussen ‘laag’ en ‘hoog’. Mocht je puur hieraan conclusies verbinden, zonder de resultaten kritisch te interpreteren, kom je uit bij zo’n ‘continuüm’.
Net als de nog altijd actieve naamgever van de ‘Highly Sensitive Person’ – de Amerikaanse klinisch psychologe dr. Elaine Aron – zien wij aanwijzingen dat hoogsensitiviteit dichotoom is: je bent het wél of je bent het niét.
Wat laten breinstudies zien?
Juist hier bewijzen de bevindingen uit hersenonderzoek hun nut. Wanneer hoogsensitiviteit simpelweg zou betekenen dat iemand ‘meer van hetzelfde’ ervaart, zou je vooral verwachten dat dezelfde hersengebieden sterker actief zijn. Maar dat is niet wat onderzoekers vaak zien.
In verschillende breinstudies zien we aanwijzingen voor een andere manier van verwerken: meer betrokkenheid van hersengebieden die samenhangen met aandacht, betekenisverlening, empathie, zelfreflectie en het integreren van complexe informatie.
Ook wordt regelmatig gevonden dat informatie uitgebreider en meer in samenhang wordt verwerkt voordat er een reactie volgt. Dit wijst toch minder op een volumeknop die naar harder/zachter draait? Deze onderzoeksuitkomsten duiden juist meer op een heel ander verwerkingsproces. Breinstudies lijken dus te ondersteunen dat men niét een kwart, half of 66% hoogsensitief is.
Ontwikkelingspsychologie
Hetzelfde patroon zien we terug in andere vakgebieden. De ontwikkelingspsycholoog Jerome Kagan beschreef al decennia geleden een groep kinderen die consequent sterker reageerde op nieuwe situaties dan hun leeftijdsgenoten. Thomas Boyce en Bruce Ellis vonden in hun onderzoek een relatief kleine groep kinderen veel sterker reageert op zowel positieve als negatieve omgevingsinvloeden.
En in dieronderzoek beschrijft Max Wolf hoe binnen populaties van tientallen verschillende levende wezens (herten, fruitvliegjes, vissen e.v.a.) vaak twee verschillende strategieën naast elkaar bestaan: een meer alerte, diep verwerkende strategie en een meer snelle, direct reagerende strategie. Vaak in een verhouding van 20% / 80%.
Toegegeven; geen van deze onderzoeken bewijzen afzonderlijk dat hoogsensitiviteit een dichotome eigenschap is. Maar samen vormen ze wel een patroon. Een patroon dat meer lijkt te wijzen op verschillende typen informatieverwerking dan het idee van één lange schaal waarop iedereen zich ergens bevindt.
Wat kunnen we op dit moment zeggen?
De wetenschap is nog altijd bezig meer antwoorden over de eigenschap hoogsensitiviteit te ontdekken. Niettemin veronderstel ik dat de uitspraak: “Iedereen is een beetje hoogsensitief”, veel stelliger wordt gebracht dan de huidige kennis rechtvaardigt. Zo is de populaire opvatting dat hoogsensitiviteit uitsluitend zintuigelijke gevoeligheid behelst, ook al lang achterhaald.
Wat we weten wijst eerder op een eigenschap die draait om een specifieke manier van opmerken, verwerken en het ondervinden van een hoge mate van inwerking. Een eigenschap waarbij je meer subtiliteiten waarneemt, informatie diepgaander integreert en daardoor een intensere impact bemerkt.
En als dat inderdaad de kern van hoogsensitiviteit is, dan ben je niet een beetje hoogsensitief. Maar wel óf niet!
“Als ik nu minder last heb dan vroeger, ben ik dan minder hoogsensitief?”
Ook dat is een vraag die we regelmatig aan het einde van onze presentaties krijgen. Het antwoord is dat je beter met je eigenschap hebt leren om te gaan. Bijvoorbeeld door vaker rustmomenten te nemen. Of drukke feestjes te vermijden of eerder weg te gaan. Hierdoor ervaar je de nadelen minder. Je bent echter nog steeds hoogsensitief. Die eigenschap verdwijnt niet.
Het kan heel nuttig zijn om te weten of je hoogsensitief bent. Wanneer je begrijpt hoe jouw brein informatie verwerkt, vallen vaak veel puzzelstukjes op hun plaats. Je begrijpt beter waarom je soms meer tijd nodig hebt om indrukken te verwerken, waarom bepaalde omgevingen jou energie kosten en waarom gebeurtenissen je soms dieper raken dan anderen lijken te begrijpen.
Dit inzicht is waardevol! Niet omdat je daardoor minder hoogsensitief wordt, maar omdat je leert beter met de eigenschap om te gaan. Je leert je grenzen eerder herkennen, jezelf te accepteren, bewustere keuzes te maken en beter te zorgen voor voldoende rust en herstel.
Door inzicht ervaren veel hoogsensitieve mensen na verloop van tijd minder last in het dagelijks leven. Ze hebben geleerd hun sensitiviteit te laten bloeien in plaats van ertegen te vechten.
Je bent hoogsensitief geboren en je bent ’t je leven lang. Maar de manier waarop je ermee omgaat kan veranderen. En dat maakt écht een wereld van verschil.
Esther Bergsma en Derk Eimers geven leiding aan Hoogsensitief.NL. Samen schreven ze “Gelukkig Hoogsensitief”. Het HSP-boek over de mooie kanten van de eigenschap. Ook ontwikkelden ze handreikingen voor docenten in het onderwijs (van kleuter – tot hoger onderwijs); met heldere uitleg en praktische tips. Daarnaast schreef Esther het standaardwerk “Het hoogsensitieve brein” en nog enkele andere titels. Bekijk hier alle boeken. De coaches die opgeleid zijn door Hoogsensitief.NL zijn te vinden op www.kerncoach-hoogsensitief.nl.

