Met neergeslagen ogen zit hij aan zijn tafeltje. Ik sta voor hem in de klas. Arnoud. Net een uitbrander gekregen van de juf. Voor de zoveelste keer: “Je bent lui.” Omdat hij niet oplette. Omdat hij niet meer wist hoe. Omdat hij afgeleid werd door de vlieg op het prikbord. Omdat hij voor even weer de held was van zijn eigen dagdroom. Omdat de les zoveel te lang duurt. Zijn lijf ondertussen op springen staat. En de speeltijd is nog een eind weg. Ik ben de hulp-juf. Mijn ogen zoeken de zijne. “Je bent niet lui,” zeg ik zo zachtjes dat enkel hij en ik het horen. “Het is niet makkelijk hè”. Voorzichtig schudt hij van nee. Ik herinner me dat rotgevoel. Ik zie mezelf weer wegzakken op die stoel, terwijl twintig afkeurende blikken op me gericht zijn. Hij is anders. Ik ben anders. Ander dan ‘normaal’. Ik begreep het voor het eerst als kleuter op de speelplaats, op school. Ik stond daar als verlegen meisje in een hoek met grote ogen te kijken naar al die kinderen. Wat zijn ze druk! Wat zijn ze luid! Wat doen ze raar! En die juffen, wat willen ze van me? 

Wat willen ze van me? Ze willen van me dat ik doe zoals iedereen doet. Normaal. Wat is normaal? Dat heb ik gaandeweg geleerd. Met vallen en opstaan, zoals ze zo mooi zeggen, heb ik geleerd wat van mij verwacht wordt. Eerst vond ik de mensen om me heen vreemd.  Op enig moment werd me duidelijk dat zij normaal waren en ik vreemd. Vreemd als een uitzondering op de regel.

Gabor Maté schreef in zijn boek: zij zijn de landbouwers, ik ben de jager-verzamelaar. Landbouwers werken gedurig aan een plan. Uren aan één stuk als het moet. Ondertussen is mijn wiebelkont al lang van de stoel af, sluip ik over de vloer en speuren mijn ogen naar dat ene dat mijn bloed doet stollen van opwinding. Eenmaal gevonden, kan niemand mij meer afleiden. Als een kat op het punt de nietsvermoedende muis te bespringen, stort ik mij op mijn nieuwe doel. Gedreven door mijn enthousiasme, achtervolg ik mijn impuls tot ik alles wat mij op dat moment bezielt onder de knie krijg. In een soort hyperfocus ga ik de gehele ervaring aan van het imkeren, permacultuur, off grid leven, kruidenkunde, polyamorie, tantra, zeepmaken, dichten of massage. En voor even bestaat er niets anders meer op de wereld. Voor weken, maanden en soms zelfs jaren verdiep ik mij in hetgeen me raakt. Eenmaal ik het bevat, vind ik er niets meer aan. Dan leg ik het aan de kant, kom even bij van alle opwinding om uiteindelijk weer een nieuw onderwerp aan de haak te slaan.

Zo spurt ik van uitdaging naar uitdaging. Uit alles leer ik, van alles groei ik. Onze cultuur is blij met landbouwers. Planmatig, deftig en gecontroleerd. Tien keer opnieuw wordt het actieplan herbekeken . Zelfs de uitvoering wordt onderbroken voor tussentijdse evaluaties. Elke jaar opnieuw hetzelfde liedje. Altijd weer hetzelfde thema. Ons hele systeem werkt optimaal voor deze landbouwers. Terwijl de jager verzamelaar op zijn honger blijft. Zijn benen verplicht verankerd in de grond, wiebelkont met straf gelijmd aan de stoel, mond vastgeplakt met denkbeeldige tape en enthousiast brein opzettelijk verdoofd met ritalin, kan hij voor even doen alsof hij een landbouwer is. Ik begrijp best dat wij onze impulsen mogen beschaven door een keertje eerst nadenken en dan pas te doen. Daar span ik me voor in. Elke dag weer. Mogen de landbouwers dan ook iets meer vertrouwen op hun instinct? En voor even aan niets denken? Hun plannen de lucht in gooien als een tiener met zijn boeken doet vlak na de examens. Spontaan worden? De geleerde brillen van hun snoet halen. En eindelijk van die stoel afkomen.

Er is een jongetje in de klas waar ik lesgeef. Ik hoorde zijn leerkracht laatst tegen hem zeggen: “Je bent lui, Arnoud.”. Goed luid, zodat de hele klas het kon horen. Alle 32 kinderen. Dan zie ik die bange blik in die helderblauwe ogen. En echoot de strenge stem in eigen oren: je ben lui Annick. Je doet helemaal je best niet. Wat heb ik me sinds school dom gevoeld. Wat heb ik mij veertig jaar lang minder gevonden. En bijgevolg werd mijn leven niet veel. Ik geloofde niet meer in mezelf. En al het kopieerwerk van wat ik dan wel hoorde te zijn, maakte dat ik niet meer wist wie ik eigenlijk was. Ik was overal en nergens; altijd op de vlucht. Het hardst nog voor mezelf. Zoeken, zoeken en nooit vinden. Ik weet nu beter. “Je bent wijs zoals je bent, Arnoud. Daar hoef je helemaal niet voor te veranderen weet je.”, zeg ik hem in mijn vanuit mijn hart. We zijn wijs. Jij en ik. Wijs op onze eigenwijze manier. Wat een leven van verschil was het geweest om dat als 6-jarige te horen. Mensen om je heen die het kunnen zien. Dat unieke talent. Mensen die je waarderen zoals je bent. In je geloven. Hoeveel beter is dat niet, dan een 10 op 10 op een loos blaadje papier. Een blaadje papier bedrukt in wit met zwart gelijnd.

Annick Marteaux (1979) schrijft columns over hoogsensitiviteit, neurodiversiteit en trauma-heling. In autobiografisch schrijven verwoordt ze hoe ze zichzelf hervindt en opbouwt na een burn-out. In poëtische stijl laat ze haar sensitieve ziel: Mademoiselle Marteaux die in volwassenheid ondergesneeuwd raakte en tegelijk verdween, eindelijk vrijuit praten. Verhalen die in de grond van het hart raken. Lees meer op: www.mademoisellemarteaux.be

Please follow and like us:

Pin It on Pinterest