Mijn intussen ietwat vastgeroeste rede speelt een welles nietes spelletje met een naderende date. Wantrouwen wint het spel om in een wankele stem uit te spreken dat elkaar zien vast niet slim is. De rede die na enkele spraakberichten te snel tot slotsom komt dat we samen te veel gaan zijn. Te veel dynamiek in ons excentriek zijn, terwijl ik net op zoek ben naar een rots in de branding. Na het digitaal afzoenen van een wervelende kandidate die me vanaf de eerste woordenwisseling weet te boeien, hervind ik slechts voor even windstilte want helaas mislukt het afwimpelen in een weerwoord dat mijn inmiddels verankerde gedachtegang brutaal uit haar ankerplaats rukt: “Ik denk dat je niet kan leren zeilen als je niet mee op zee gaat.” 

Er is een tijd geweest dat de zee mijn thuis was. Als een bandeloze ha-es-pee ontvluchtte ik het saaie leven door op het wilde water uitspattingen te beleven. Gedreven door de haast grenzeloze impulsen van mijn speedboot, scheurde ik van uur tot uur over de bruisende golven die ik vanuit mijn spanningsdrang zelf opzocht. Meegesleurd in adrenaline-stoten en dopamine-shots, sloeg mijn stuurloos geworden roer net niet tegen de branding die vaak gevaarlijk dichtbij kwam. Ik besefte dat het hoogtijd was om thuis te komen. Maar waar was thuis? Uiteindelijk besloot het lot mijn thuiskomst zelf te regelen. In een burn-out viel ik uit mijn sensationele machine overboord. In de diepe zee klampte ik me vast aan een stuk drijfhout om verder behoorlijk wezenloos aan te spoelen.

Op het strand had ik voor het eerst in mijn leven vaste voet aan wal. Het duurde lang om bij te komen. Ik kokhalsde dagen later nog steeds het zilte water uit mijn longen en rilde wekenlang koudegolven uit mijn lijf. Ik staarde voor maanden doorheen vertroebelde ogen naar een onbekende horizon. Mijn spieren zo stijf als het drijfhout dat me uit het ruime sop had gehaald. Uiteindelijk ging ik bouwen. Schelp voor schelp bouwde ik een huis van gladde en geribbelde parelmoer. Van wenteltrapjes, kokkeltjes en mosseltjes. Omdat een vierkante steen minder past bij de creatieve ziel van een ha-es-pee, zag mijn huis er anders uit dan anders. Dat maakte verder weinig uit. Ik was blij met onderdak. Dankbaar om een schuilplaats.

Nu kijk ik vanuit mijn schelpenhuis naar de zee. De weidse zee. De onvoorspelbare zee. De ziedende zee waarop ik ooit verdwaalde. De wereld. Om in mijn bekend stekkie al ruim honderdvijvenvijftig dagen hetzelfde huiselijk plaatje te draaien in dagen gevuld met mezelf soigneren, kinderen grootbrengen, kamerplanten verwennen en verder migreren van tafel naar bank, naar schrijftafel of tuin. Bij verveling staar ik voor me uit, deze keer naar een bekende horizon. Hierbuiten spreek ik eventjes af met een handjevol vrienden om dan snel huiswaarts te keren. Ik doe alleen de sport die ik gewend ben te doen, ga dan terug. Een wandeling in een vertrouwd rondje. Een enkele keer onderneem ik een nieuwe uitstap die ik van tevoren eng vind. Altijd weer blij om thuis te komen.

Mijn leven speelt zich al een halfjaar vooral af tussen deze vier muren, want buiten voelt als gevaar. In mijn wilde fantasieën ben ik nog steeds die avonturier die ik nu alleen in dagdromen durf te zijn. Dan droom ik van onstuimige stoeipartijen. Ik verbeeld me fascinerend werk. Ik spreek in stoere taal met prikkelende voornemens die nooit uitkomen. Ik ben als vrijbuiter behoorlijk uit de bocht gevlogen en in dat schrikken ben ik een kwezeltje geworden. Is de date met haar dan ook niet anders dan een platonisch bedenksel dat aan mijn zacht pruttelend leven een denkbeeldig pepertje wil toevoegen? En dan zegt ze: “Er is niets mis met vaak thuis zijn, alleen valt er weinig te leren in een vertrouwde omgeving.”

Dus ha-es-pee, ga je met me mee naar zee? Met een duwtje in de rug van een trouwe vriendin, een zetje van een andere vriend en de handreiking van deze zelfzekere meesteres, gaat mijn bootje dan toch uitvaren. Al voelen de zeilen van dit gloednieuwe voertuig als vlindervleugels die net de cocon hebben afgelegd, zo fragiel als pas uitgevouwen kan zijn. Af en toe is het goed om de zee in te gaan, overhaal ik mijn terughoudende neiging om een behendige schipper te worden op onvoorspelbare levenswateren. Wetende dat thuis altijd dichtbij is en nooit ver weg. Dat ik altijd terug kan naar mijn schelpenhuis van parelmoer om te mediteren op de bank, te pennen aan tafel of te staren naar een verbrede horizon.

Annick Marteaux (1979) schrijft columns over hoogsensitiviteit, neurodiversiteit en trauma-heling. In autobiografisch schrijven verwoordt ze hoe ze zichzelf hervindt en opbouwt na een burn-out. In poëtische stijl laat ze haar sensitieve ziel: Mademoiselle Marteaux die in volwassenheid ondergesneeuwd raakte en tegelijk verdween, eindelijk vrijuit praten. Verhalen die in de grond van het hart raken. Lees meer op: www.mademoisellemarteaux.be

Please follow and like us:

Pin It on Pinterest